The lost art of projection?
Last month saw the release of ‘The Good, the Bad and the Multiplex’, the new book by Mark Kermode, in my opinion the BBC’s top film critic. The book is subtitled ‘What’s wrong with modern movies?’, and Kermode tries to answer exactly that question. It’s a very enjoyable, at times hilarious read, wherein ‘Dr. K’ rants on about pet peeves like 3D, Michael Bay and the weird aversion to subtitles in most English-speaking countries.
Almost all of Kermode’s complaints are spot on and grieved about in a very eloquent way, but near the end of this book, I believe the author is going one step too far.
He protests against digital projection, and gives a very heartfelt defense of the analog, traditional way of showing, with a projectionist overseeing everything from the opening scene to the end credits. He describes watching a slightly damaged print of Ben-Hur which has celebrated “a few too many birthdays”. It’s a print with a history, that’s for sure, but to the critic, it’s like meeting a loved one of a certain age. The wrinkles tell the story of their lives.
In comparison, the digital age has brought with it, according to Kermode, a decreasing amount of attention paid to the art of showing a film. Modern multiplexes employ one or two projectionists whose job consists of not much more than flipping a switch to start the movie. Kermode laments having to watch films being projected in the wrong aspect ratio, or with the projector pointed a bit too high, thus not being able to see the top of Zac Efron’s head.
Even though I respect and understand his point of view, I think it’s important not to confuse the problems at the particular multiplex with the issues threatening cinema as a whole. It is my understanding that the problem of films being projected wrongly is mainly the fault of the cinema itself, cutting back on skilled personnel. While this is a legit problem, Kermode seems to link this with the shift from analog to digital projection. I have to disagree on this issue.
What Good Doctor Kermode calls ‘the art of projection’ is a craft that, to a certain extent, has become superfluous. Projectionists these days are there to make sure that their equipment is in perfect state and that the lights are dimmed. Agreed, more than one cinema can’t even handle this responsibility, but it’s still a far leap from the complicated and, at times, dangerous process projectionists had to go through in years past.
To illustrate my point, let’s first go back a couple of decades. Back in 1975, copies of Stanley Kubrick’s ‘Barry Lyndon’ famously came with a letter from the director himself, wherein he gave instructions to project his film as intended. Particularly note the ‘changeover dots error’ on reel 3B.
Now, let’s compare this to ‘The Tree of Life’ from earlier this year, which also came with a note from the director. Terrence Malick asks the projectionists to turn up the fader settings on the surround system from 7 to 7.5, and that’s about it. Apart from that, theatre operators are simply asked to use proper lamps and to make sure that the house lights are dimmed on time.
The slogan ‘Projectionists really have final cut’, used to hang on the walls of projection booths, but this is no longer true. Digital projection, when used well, can show films the way filmmakers really intended them to look, with a middle man running much less risk of screwing up that final step from director to audience (even though, sadly, accidents will still happen). I understand Kermode’s nostalgia for an age of analog projectors without Michael Bay and 3D glasses spoiling the party, but looking at things from a neutral perspective, digital projection itself is in no way what’s threatening modern cinema.
On the contrary. Every week, classic movies are being restored and subsequently released on Blu-Ray, often with stunning results. The new hi-def version of ‘Star Wars’ looks clearer, brighter and, frankly, better than any version of the film I had ever seen before. When parents will take their kids to the planned rerelease of the film in theatres a couple of years from now, this new generation of Star Wars fans will get to see a version of the film which shows even more of the incredible attention to detail of George Lucas and his team. All this without the distracting buzzing of the projector, the possibility of frames missing from the reel, or the fact that there are ‘cigarette buttons’ in the film to indicate where a projectionist has to change reels. If the theatre has its things in order (which, during my visits to Belgium’s leading multiplex chain Kinepolis, is nearly always the case), all eyes will be on the film itself. On the condition that they abandon the horrible plan to show the film in wretched 3D, it will be the best possible ‘Star Wars’ experience to this day.
Even though Greedo still shoots first.
The highly recommended ‘The Good, the Bad and the Multiplex’ by Mark Kermode can be ordered via Play.com.
Dont Look Back (sic)
Bob Dylan is afgelopen zomer 70 geworden, en we hebben het geweten. Radio 1 maakte er een avondvullende special van, overal waren interviews te lezen met iedereen die ooit ergens heeft gezegd ‘s mans muziek wel te appreciëren, en dat ene liedje van De Nieuwe Snaar was weer eventjes alomtegenwoordig. Ter gelegenheid van die verjaardag haalde de BBC ook een stokoud interview van onder het stof, waarin Zimmerman bekent te hebben gekampt met een heroïneverslaving. Daarnaast gaf Dylan ook toe geregeld donkere zelfmoordgedachten te hebben. De kranten stonden er vol van, maar voor veel fans kwam het zeker niet als een verrassing. Wie ooit de documentaire Don’t Look Back uit 1968 (sinds kort opnieuw verkrijgbaar op DVD en Blu-Ray) zag, die had het kunnen weten.

Misschien een manier om zijn oude persoon van zich af te werpen, maar gelukkig zonder daarvoor echt domme dingen te doen.
Ben-Hur
Hoe ruimdenkend ze verder ook zijn, de meeste filmliefhebbers die ik ken hebben wel minstens een genre dat hen totaal niet ligt. Je kent dat wel: het soort films waar ze toch altijd tegen op zien als er weer eens eentje de moeite waard schijnt te zijn. Een goede vriend wiens filmmening ik ten zeerste waardeer, kijkt zelden tot nooit naar gangsterfilms. Er zijn genoeg mensen die geen musicals kunnen verdragen. En ook de meeste horrorfilms staan bij velen al bij voorbaat op het ‘te skippen’-lijstje.

Chuck Heston en Stephen Boyd
Als ik zelf een genre moet uitkiezen waar ik zelf maar zeer weinig mee heb, denk ik eerst en vooral aan ‘het historische epos’. Tegenwoordig komen ze minder vaak voor, maar tot pakweg de jaren ’70 waren ze alomtegenwoordig en Hollywood en daarbuiten. Dit soort producties zijn vaak te herkennen aan hun belachelijk lange lijst met figuranten, hun vaak erg smalle beeldverhouding, en bovenal hun overdreven speelduur.
En zeker dat laatste is het probleem van ‘Ben-Hur’, de klassieker uit 1959 waarvan ik deze week de (overigens zeer fraai gerestaureerde) nieuwe uitgave bekeek. Het is het verhaal van een rijke man uit Jeruzalem (Charlton Heston) die onterecht ter dood wordt veroordeeld door zijn jeugdvriend (Stephen Boyd), die intussen een Romeinse gouverneur is geworden. Ben-Hur is uit op wraak, en na drie uur en tweeënveertig minuten cinema kom je eindelijk te weten of hij zijn slag thuis haalt.
Het ergste is dat er in die 212 minuten eigenlijk niet zo heel erg veel gebeurt. De meeste mensen kennen wel de beroemde race met de wagenmenners, maar deze adembenemende scène neemt uiteindelijk slechts een minuut of tien in beslag. De rest? Mooie woestijnlandschappen en dito decors. Maar verder vooral veel, heel veel dialogen van het genre “You are either for me or against me, you have no other choice!”/”If that is the choice, then I’m against you”. Wijsheden à la “By condemning without hesitation an old friend, I shall be feared”. Er waren weinig elementen in ‘Ben-Hur’ die er echt voor zorgden dat je je met een personage kon identificeren, of echt meeleefde met wat er op het scherm te zien was. En dan heb ik het nog niet eens over de nogal klungelig ingewerkte subplot van Jezus Christus gehad, die er alleen maar voor zorgde dat de film nog meer overtollige bagage mee te sleuren had.
‘Ben-Hur’ is geen klassieker geworden omdat het zo’n meeslepend menselijk drama is, dat snap ik best. En je moet het ook allemaal binnen zijn context en tijdsgeest zien. Maar het is het zoveelste (pseudo-) historische epos waarbij ik me na pakweg een half uur stierlijk zat te vervelen. Gezien de erg hoge plek van de film op de IMDb Top 250-lijst zijn velen het met mij oneens. Goed voor hen, maar ik zie een patroon.
‘Seven Samourai’ is niet mijn favoriete film van Akira Kurosawa – dat is vooralsnog het veeleer minimalistische ‘Ikiru’. Van David ‘Lawrence of Arabia’ Lean heb ik voorlopig enkel ‘Brief Encounter’ gezien, dat even kleinschalig is als de titel doet vermoeden en overigens een meesterwerkje is in al z’n eenvoud. En ik zie nu al op tegen de dag waarop ik dan toch eens een namiddag aan ‘Gone with the Wind’ zal moeten besteden, “want dat moet je toch wel eens gezien hebben”. Het zal wel nooit mijn ding worden, die epossen. Films van het heel grote gebaar zijn zelden aan mij besteed. Een film moet mij raken, intellectueel of emotioneel. Een goeie film mag zich niet verliezen in te veel beelden van de omgeving, te veel uitleg of zo’n enorme verzameling personages dat ik na een tijdje niet meer weet wie het nu eigenlijk tegen wie aan het opnemen is. En, bovenal: een écht goeie film weet wanneer een verhaal uitverteld is.
Who you gonna call?
“WAT? Nog nooit Ghostbusters gezien?”


The Tree of Life

Onlangs had ik het met een vriend over religie. Als devote atheïsten lijkt het niet bestaan van een god voor ons een vanzelfsprekendheid. Zo vanzelfsprekend dat we ons afvroegen waarom het overgrote deel van de mensheid wél gelooft in iets dat er volgens ons niet is. “Maar op dit moment verbaast ergens ter wereld een gelovige zich ook over ons soort mensen, toch?” zei hij. Is het niet heel hovaardig van ons om zo’n belangrijk deel van de wereldcultuur zomaar onder tafel te vegen als pure verzinsels? Om iets waar miljarden mensen in geloven, af te doen als onzin? Zelfs al zijn we het héél erg zeker?
Ik wil hier geen uitspraken doen over godsdienst. Maar ik herinnerde me dit gesprek zondagavond, tijdens het zien van The Tree of Life, de nieuwe film van Terrence Malick. Dat Malick een bijna ziekelijke perfectionist en een mooifilmer is, was al langer bekend. Maar met deze film heeft hij zichzelf overtroffen, enerzijds qua visuele pracht maar vooral qua schaal. The Tree of Life is niets minder dan een parabel over de oorsprong van het heelal en het leven. Het is zijn Ontdekking van de hemel, zijn magnum opus, het werk waarmee Malick de mensheid wil samenvatten en blijvend veranderen.
Een film met een boodschap, dat is zeker. Maar hoe zit het dan als je het als kijker volkomen oneens bent met die boodschap? The Tree of Life is zeker geen christelijke film, maar Malick lijkt er wel van uit te gaan dat er een kracht aan het werk is die sterker is dan alles wat we tot nu hebben kunnen vatten en die we bij gebrek aan een beter woord maar ‘God’ noemen. Alle respect voor wie daar in gelooft, maar ik kan me er absoluut niet in vinden. Ik ben een Agent Scully, die achter vrijwel alles wel een wetenschappelijke verklaring vermoedt.
Natuurlijk weet ik wel dat deze film meer is dan een veredelde EO-special. Dat Malick een veel diepere boodschap heeft dan ik er op dit moment van maak, en dat hij geen man met een lange witte baard opvoert. Je kan The Tree of Life perfect bekijken als een mijmering over ouderschap, opvoeding en de cyclus van het leven. Kijk naar die prachtige promofoto’s van Brad Pitt en het voetje van zijn pasgeboren kind.
Ik heb de film nog maar net voor de eerste keer gezien, en heb er ook amper iets over gelezen. Hij is pas anderhalve week geleden in première gegaan in Cannes. Het zou heel arrogant zijn om op dit moment mijn interpretatie als de enige juiste te zien. Ik vermoed (en hoop een beetje) dat ik door sommige mensen luidkeels ga worden tegengesproken. Het deïstische aspect is de spreekwoordelijke elephant in the room die ervoor zorgt dat ik The Tree of Life op dit moment bekijk zoals ik in een kathedraal rondloop. Onder de indruk van de visie, de afmetingen en het oog voor detail, dat zeker. Maar niet persoonlijk aangesproken.
Los ojos de Julia
Liefhebbers van de betere griezelfilm kunnen de laatste jaren onmogelijk om de Spaanstalige markt heen. De Mexicaan Guillermo Del Toro zit al bijna twintig jaar in het vak, en heeft intussen al een hele reeks klassieke films op zijn naam sta an, zoals ‘Cronos’, ‘El Espinazo del diablo’ en vooral ‘El laberinto del fauno’. In zijn kielzog is er een soort van subgenre ontstaan, dat een frisse wind laat waaien maar tegelijk met beide benen in de filmgeschiedenis staat.
Min of meer vaste ingrediënten zijn bouwvallige spookhuizen, rimpelige oude mensen waar Stephan Vanfleteren wel raad mee zou weten, onzichtbare geesten en bovenal, op zeldzame maar memorabele momenten, diepe on troering. Dat laatste is zeker aanwezig bij het werk van Del Toro, maar ook bij ook bij bijvoorbeeld ‘The Others’ (van Alejandro Amenábar) en vooral bij ‘El orfanato’, het meesterwerkje van Juan Antonio Bayona. Andere films hebben dat niet en mikken meer op een bijna zintuiglijke inleving. ‘Buried’ van Rodrigo Cortés moet wel een van de meest claustrofobische films aller tijden zijn, en ook het Catalaanse ‘Rec’ wist met een beperkt budget heel angstaanjagende dingen te doen.
Want dat laatste is wel een element dat alle Spaanse horrorfilms gemeen hebben: de nadruk ligt niet op de monsters of de ‘Saw’-achtige martelscènes (hoewel die er zeker zijn), maar deze films proberen vooral onder je huid te kruipen. Zo ook ‘Los ojos de Julia’, de nieuwe van Guillem Morales. Deze film gaat over Julia, een vrouw die net als haar zus aan een ongeneeslijke oogziekte lijdt, en afstevent op volledige blindheid. De zus pleegt op een dag zelfmoord, maar Julia is er zeker van dat er meer aan de hand is. Ze gaat op onderzoek uit, en komt meer op het spoor dan het daglicht mag zien.
De plot mag dan al niet zo veel meer om het lijf hebben dan een klassieke whodunit, het zou ‘Los ojos de Julia’ oneer aandoen om de film hiertoe te beperken. Er wordt mooi gespeeld met het element ‘zien’: terwijl Julia steeds blinder wordt en op een bepaald moment zelfs helemaal niets meer ziet, komt ze steeds dichter bij de waarheid. En het aloude gegeven dat je als kijker meer ziet dan de protagonist (‘Pas op, achter je!’) wordt hier wel heel effectief doorgetrokken. Maar het is pas in de allerlaatste scène dat Guillem Morales al zijn geheimen prijsgeeft, en je pas helemaal snapt hoe goed het allemaal in elkaar zit.
Toch is ‘Los ojos de Julia’ geen klassieker van het kaliber van ‘El orfanato’. Morales neemt er bij momenten wel heel erg zijn tijd voor, en weet bovendien niet zo goed welke film hij precies wou maken. Wat meer zelfbeheersing, minder balast en een duidelijkere lijn was de film wellicht ten goede gekomen.
Op dit moment is Guillermo Del Toro als regisseur of producent aan boord bij een zestal nieuwe projecten. Tot dan is dit geen verkeerd zoethoudertje voor griezelfans wie de zoveelste overbodige ‘Nightmare on Elm Street’-remake gestolen kan worden.
Zwartepieten
Enkele jaren geleden bedacht Radio 1 de ‘Ik heb zoiets van’-prijs, uit te reiken aan de ergerlijkste woorden, uitdrukkingen of tussenwerpsels uit de Vlaamse omgangstaal. Geen idee of er plannen zijn om deze twijfelachtige onderscheiding in de nabije toekomst opnieuw uit te reiken, maar anders weet ik al een mogelijke genomineerde. Of ben ik echt de enige die zich mateloos ergert aan het feit dat iedereen elkaar tegenwoordig ‘de zwartepiet toespeelt’?
De uitdrukking heeft weinig te maken met de knecht van een zekere dakloper uit Spanje, maar vindt zijn oorsprong in het kaartspel. Volgens het spreekwoordenboek van Theissen en Hiligsmann betekent het zoveel als ‘proberen iemand tot zondebok te maken’ of ‘een moeilijke handeling door iemand anders laten doen’. Aangezien de moeizame preformatie in België steeds meer op een bijna Shakespeareaanse twist tussen de respectieve kemphanen begint te lijken, wordt het spel steeds meer op een retorisch niveau gespeeld. En dan wisselt er al eens een z
wartepiet van eigenaar, dat spreekt.
Natuurlijk is dit allerminst een nieuwe zegswijze. Anderhalf decennium geleden maakte wijlen Karel Van Miert al de laconieke opmerking dat hij ondertussen ‘over een hele verzameling zwartepieten beschikt’. Stuk voor stuk hem toegespeeld door de Waalse regering, naar aanleiding van de kritiek van de Europese Commissie op zijn standpunt inzake Europese regio’s.
Van Miert ruilde intussen het tijdelijke voor het eeuwige, maar de zwartepieten zijn nog steeds en vogue. Meer zelfs: mijn voornaamste probleem met de uitdrukking is net dat hij plots zo alomtegenwoordig lijkt te zijn. Sinds dag 1 van de preformatie is er geen dag meer voorbij gegaan zonder dat een krant melding maakte van het doorschuiven, het toespelen of het terugkaatsen van een zwartepiet.
Erger nog: de term lijkt zich nog uit te breiden naar andere gebruikswijzen. De zwartepiet in kwestie wijst intussen niet enkel meer op een knelpunt of een moeilijke kwestie, maar Bart De Wever verklaarde zich onlangs gewoon zelf ‘de zwartepiet’ te voelen. Het is een passe-partout geworden, die vooral doet denken aan een collectief nonchalance aan de kant van journalisten en protagonisten. Woorden schieten hoe langer hoe meer te kort voor het slakkengangetje waaraan de onderhandelingen vorderen. Dus recycleren we dezelfde woorden maar. Dit doorgedreven gebruik lijkt ook typisch Vlaams te zijn. Ondanks het feit dat men ook in Nederland op tijd en stond eens een regeringscrisis te bezweren heeft, wordt daar vooralsnog niet zo vaak gesproken over een aan elkaar geschreven zwartepiet.
Intrinsiek is het een heel mooie zegswijze, maar het gevaar van het cliché wenkt tegenwoordig meer dan ooit. Toch hoeft deze uitdrukking niet automatisch te wijzen op een gebrek aan creativiteit. Een onbekende journalist van Het Belang Van Limburg schreef in 2002 al: ‘Dewael pikt het verwijt niet dat de Vlaamse en de federale regering Sinterklaas spelen en de zwartepiet naar de gemeenten doorschuiven’. Hulde!
Op het moment van schrijven lijkt een doorbraak in de Belgische regeringsvorming verder weg dan ooit. Een analyse van de mogelijke oplossingen valt uiteraard buiten het bereik van deze column. Maar aan de journalisten die de preformatie van op de eerste rij volgen, een suggestie. Hoe kinderachtig en eindeloos de onderhandelingen ook lijken, die kaartspelmetaforen hebben we nu wel gehad. Schrijf liever eens over welke partij nu eigenlijk in pole position ligt. Wie zet wie buitenspel? Voor welke politicus ligt de lat te hoog? De mogelijkheden zijn eindeloos!
Confessions of a Spectorolic
Misschien is het omdat ik eindelijk eens in een degelijke hoofdtelefoon heb geïnvesteerd, maar de zomer van 2010 was er voor mij eentje stampvol goeie platen. ‘High Violet’ van The National staat op eenzame hoogte als meest gedraaid album van de laatste maanden, maar ook The Gaslight Anthem, eels, Grinderman, How To Destroy Angels, Arcade Fire, Villagers, Bruce Springsteen en zelfs de heruitgave van Bowie’s ‘Station to Station’ (niet te missen!) schalden hier maar al te vaak door de Sennheisers.
Maar als er een trend op te merken is doorheen ‘mijn’ licht alternatief muzieklandschap, is het wel dat Phil Spector helemaal terug lijkt te zijn. Niet letterlijk, natuurlijk. De man zit momenteel een gevangenisstraf van 19 jaar uit wegens de moord op actrice Lana Clarkson, en lijkt nu dus niet alleen meer qua uiterlijk op Sideshow Bob. Maar zijn belangrijkste wapenfeiten, met name zijn werk met de typische girl groups van de jaren ’60, lijken dezer dagen weer alomtegenwoordig. Baanbrekend was wat hij met het geluid van pakweg The Crystals deed (heel bekend is het meesterlijke ‘Da Doo Ron Ron’), of met The Ronettes van op de foto. Hij zette een ‘wall of sound’ op, die zo mooi als een organisch geheel klinkt dat je al een heel goed gehoor moet hebben om alle afzonderlijke instrumenten te kunnen onderscheiden.
De onmiskenbare sixtiesrevival (grotendeels courtesy of ‘Mad Men’) die tegenwoordig op veel plaatsen welig tiert, heeft dus ook de popmuziek bereikt. Er is natuurlijk Eliza Doolittle, wiens artiestennaam zelfs een duidelijke verwijzing naar het Audrey Hepburn-tijdperk is. Best Coast doet ook niet veel moeite om de inspiratiebron te verbergen. De meerwaardezoeker luistert naar de Dum Dum Girls . En de meest recente Spector-adept is natuurlijk Allo Darlin’, die vooral met ‘Woody Allen’ een geweldig nummer vast hebben. Al is gewoon verwijzen naar Woody Allen, Ingmar Bergman en Max Von Sydow in een popliedje vaak al genoeg om mij te charmeren. Hoe zwak is het vlees.
Maar als ik er even de toplijsten van mijn iTunes bij haal, staat daar een jonge Londense bovenaan – net onder The National, natuurlijk. Het drie jaar geleden verschenen debuut van Kate Nash had al enkele geweldige popnummers, maar op ‘My Best Friend is You’ trekt ze bij momenten helemaal de kaart van de Spector-sound. Een perfect album is het helemaal niet, daarvoor bevat het net iets te veel ergerlijke gilmomenten en dezelfde flauwe intermezzo’s waar ook ‘Made of Bricks’ onder kreunde. Anno 2010 kunnen we die gelukkig gewoon weglaten, en houden we enkele ongelofelijk verslavende zomerbriesjes over.
Belangrijkste bewijsstuk: eerste single ‘Do-wah-doo’. De sfeer komt zo uit een sigarettenreclame van 45 jaar geleden, toen saffen dezelfde status hadden als Cola Light nu: af en toe zegt er wel eens iemand dat je er kanker van krijgt, maar dat zijn meestal mensen die gewoon niet snappen hoe lekker het wel niet is. Zou nog een mooie sticker zijn voor op het doosje: ‘Kate Nash: gezonder dan aspartaam maar even zoet!’. Ach, zolang ze platen als ‘My Best Friend is You’ opleveren en de Mad Men-vrouwen wekelijks op tv blijven verschijnen, mogen de sixties wat mij betreft nog heel lang hip blijven. Op voorwaarde dat de jaren ’70, ’80 en ’90 daarna mooi worden overgeslagen, natuurlijk.
Zo. En binnenkort schrijf ik wel eens over een band die minder dan honderd fans heeft op Facebook. Penitentie, dat spreekt.
Over Jort en matadors
Over iets meer dan een week begin ik aan een jaartje Lessius Hogeschool in Antwerpen, om een diploma van ’Master in de journalistiek’ te behalen. Al van bij het begin van mijn hogere studies was dat het uiteindelijke doel: ik ben Nederlands-Engels gaan studeren om journalist te worden. Of de opleiding de moeite waard zal zijn, daar heb ik voorlopig nog wat twijfels bij. Als ik heel eerlijk ben, is het me vooral om de stage te doen. Schrijven leer je niet op een jaartje hogeschool, en wat de journalistieke ambacht betreft, is de realiteit vaak nog veel boeiender dan de cursussen. Dat is deze week eens te meer bewezen.

Pieter Storms (rechts op de foto), een van de ouderdomsdekens van de Nederlandse journalistiek, ging dinsdag in ‘De Wereld Draait Door’ ongemeen hard in debat met ‘beroepsbretel’ (copyright Youp van ‘t Hek) Jort Kelder. Het filmpje werd ondertussen al meer dan zeshonderdduizend keer bekeken op YouTube, en de kemphanen schoten meteen naar de lijst met populairste gespreksonderwerpen op Twitter.
Wie het meest gelijk heeft, laat ik hier als buitenstaander maar in het midden. Storms beschuldigt Kelder ervan om zijn bronnen niet genoeg te checken, en vooral te hengelen naar half verzonnen verhaaltjes (in dit geval over de mogelijke sadomasochistische voorkeuren van de wel erg schaapachtig toekijkende vrouw van Storms). Vuurwerk aan tafel bij Van Nieuwkerk. Volgens mij gaan ze hier allebei wat in de fout, maar waar het mij om gaat is de uitspraak van Storms even voorbij acht minuten. Volgens hem is er een zekere verloedering aan de gang in de journalistiek, en gaat het steeds minder om de basis: feiten checken.

Het lijkt te mooi om waar te zijn, maar letterlijk de volgende dag werd die uitspraak van Storms mooi bevestigd. De zeventienjarige Reinoud Homan uit Drenthe haalde de regionale én de landelijke pers met het nieuws dat hij zich als eerste niet-Spanjaard mocht laten opleiden op de prestigieuze Escuela Taurina in Madrid, de ‘stierenvechtersschool‘. Homan pronkte trots met een Spaanse vlag in De Telegraaf, en vertelde er zelfs een mooie anekdote bij over hoe hij als kind al oefende op kleine bokjes.
De volgende dag was Homan te gast in de ‘Madiwodovrijdagshow’ van Paul De Leeuw. Vrijwel meteen bekende de tiener dat het allemaal om een hoax ging. Enkele mailtjes naar kranten: meer was niet nodig om zijn verhaal heel Nederland rond te laten gaan.
Van feiten checken was helemaal geen sprake. Betrekkelijk onaanvaardbaar voor ‘de krant van wakker Nederland’. Maar kan je alle schuld op de journalisten steken? Amper twee jaar geleden schrapte De Telegraaf 425 (!) banen. En het is lang niet het enige mediabedrijf dat het met een veel kleiner personeelsbestand moet doen. Tegelijk zijn de media nog nooit zo alomtegenwoordig geweest als vandaag, en is vooral snelheid cruciaal. Een krant is er al lang niet meer alleen ‘s morgens bij het ontbijt. Verhalen als dat van Reinoud Homan zijn helemaal niet uniek (Joaquin Phoenix weet er alles van), en bestonden natuurlijk al voordat het internet er was. Er is echter veel kans dat ze steeds meer zullen voorkomen, precies omdat steeds minder mensen steeds sneller steeds meer werk moeten doen. Het is prachtig dat de media zo zijn geëvolueerd dat vrijwel iedereen de klok rond toegang heeft tot zo’n gigantisch aanbod aan wereldnieuws. Maar dan moet de inhoud ook mee evolueren met de infrastructuur, en nu lijkt veeleer het omgekeerde te gebeuren. Ik zou nu iets kunnen schrijven over hoe aan de fundamenten van de democratie wordt geraakt als de mensen niet meer goed ingelicht worden. Maar u moet mij excuseren. Hier komt net breaking news binnen.
Over copyright en de nood aan dialoog
Ondertussen kan Nederland al een viertal maanden genieten van Spotify. Met deze internetdienst kunnen gebruikers gratis met advertenties of reclameloos aan een kleine som een iTunes-achtige snoepwinkel naar hartelust kunnen streamen. België hoeft er voorlopig nog niet op te rekenen: zoals zo vaak is het Sabam dat niet voor rede vatbaar blijkt te zijn. Integendeel. De laatste keer dat de auteursrechtenorganisatie van zich liet horen, was toen de oorlog werd verklaard aan Telenet. Jaren na de collega’s in de buurlanden bood het bedrijf uit Mechelen eindelijk een abonnement aan zonder archaïsche datalimieten, en een onbeperkt dataverkeer staat volgens Sabam meteen gelijk aan meer illegale downloads dan ooit tevoren. Het steeds groeiende aanbod van legale radio- en tv-uitzendingen via bandbreedteverslindende streaming werd hierbij handig buiten beschouwing gelaten. Enkele maanden daarvoor was al het plan gerezen om de internetproviders een bedrag aan te rekenen om te compenseren voor het illegale downloaden van beschermd materiaal. Een onuitvoerbaar idee, daar was zowat iedereen het over eens.

Los van de bezwaren die ik al tegen Sabam had -de aangesloten artiesten zouden volgens mij meer baat hebben bij een grondig intern onderzoek van de organisatie zelf- was dit een mooi staaltje van een stuitend gebrek aan realisme. Sabam staat echter helemaal niet alleen in deze vijandige houding tegenover het internet. Een decennium geleden al haalde Metallica de wereldpers door de eigen fans aan te klagen omwille van enkele nummertjes op Napster. Het maakte de op elk vlak kapseizende band er niet populairder op. En dat was tien jaar geleden, lang voordat iedereen met minstens een oor z’n eigen mp3-speler had. Sindsdien is er echter weinig veranderd. Enkele maanden geleden nog begonnen de producers van ‘The Hurt Locker’ duizenden downloaders voor de rechter te slepen.
Is het luiheid? Behoudsgezindheid? Feit is dat iedereen (op Prince na misschien) het erover eens is dat de internetrevolutie onomkeerbaar is. De tijd van wekenlang sparen om in de Bilbo een plaatje te kopen lijkt helemaal voorbij. Met de cd-verkoop zoals we die nu kennen, is zo goed als niets meer te verdienen. Maar massaconcerten doen het in onze contreien beter dan ooit. Tegelijk lijkt de tijd van de absolute wereldsterren ook wat voorbij. Er zijn bijna geen iconen meer die hun generatie ‘bepalen’, genre Michael Jackson, Elvis Presley of zelfs Kurt Cobain. Lady Gaga lijkt een uitzondering, maar tegelijk bevestigt ze de trend: ze is een samenraapsel van allerlei elementen uit veertig jaar popcultuur. Jongeren van nu lijken naar veel meer verschillende artiesten te luisteren als pakweg twintig jaar geleden. Wat wil je ook, als vrijwel elke plaat die ze maar kunnen bedenken binnen enkele minuten op hun iPod kan staan. Illegaal in de meeste gevallen, maar kan je het hen kwalijk nemen. Welke twintiger zat niet ooit met een cassettebandje in de aanslag en de vinger op de ‘record’-knop bij de radio, hopend dat de presentator het nummer niet vroegtijdig zou afbreken. Het is van alle tijden, alleen is dat ‘bootleggen’ nog nooit zo makkelijk geweest. En van zo’n geweldige kwaliteit.
![]()
‘Piraterij is een misdrijf!’, zegt het verschrikkelijke spotje waar mensen die een legitieme dvd willen zien, niet voorbij kunnen spoelen. Het is veelzeggend. Terwijl de echte oplossing helemaal niet in het demoniseren ligt, maar in een dialoog. Neem nu een dienst als Spotify: via lidgeld of advertenties is hier zeker geld uit te halen om de rechthebbenden te compenseren. Tegelijk heeft de gebruiker directe toegang tot de grootste platencollectie ter wereld. Iedereen tevreden, toch? Of die voordelige abonnementsformule voor de iTunes Music Store, waar al tijden geruchten over rond gaan? Ik zou de eerste zijn om me in te schrijven. Ik beperk me hier voor het gemak even tot muziek, maar hetzelfde geldt voor films, games en tegenwoordig ook al voor boeken en tijdschriften. Want, en hier ben ik misschien iets te naïef, ik ben ervan overtuigd dat de modale downloader echt niet van kwade wil is. In tegenstelling tot de gemiddelde auteursrechtenorganisatie, misschien.
Wijlen ‘de Bilbo’ ondertussen, die rust in vrede.