
De grootste na-oorlogse Nederlandstalige schrijver is vorige week overleden. Wonder boven wonder kwam een van de meest rake beschouwingen vorige week van voormalig premier Guy Verhofstadt: ‘In ieder van zijn geschriften en gedichten was hij een (emotioneel) lichtbaken in onze duistere wereld. Maar anderzijds heb ik er ook vrede mee dat hij er zo over heeft beslist. Want hij is als een grote gloeiende ster van ons heen gegaan, precies op tijd, precies vooraleer hij tot een plomp zwart gat zou zijn ineengeklapt’. Ik vraag me af of ook die woorden het werk zijn van Noël Slangen, maar ze zijn er pal op.
Het heeft veel te lang geduurd voordat ik voor het eerst iets van Claus las. Oké, op school moesten we ‘De Metsiers’ wel lezen, maar dat was een jeugdwerk. Een hoogstaand en narratief heel interessant jeugdwerk, maar het is een beetje alsof je Da Vinci leert kennen door zijn eerste schetsen en druppels op een doek te bekijken. Ook toonden ze ons de film ‘Het sacrament’, iets wat ik nu nog spijtiger vind. Claus had vele talenten, maar filmmaken was daar absoluut niet een van. Maar dat was alles wat we op de middelbare school leerden over Claus.
Het zal de lezer dan ook niet verbazen dat ik eind vorig jaar dan ook wat schoorvoetend begon aan mijn poëziepaper voor Nederlandse Letterkunde. De opdracht bestond eruit een werkstuk van vijf bladzijden te maken over 1 luttel gedicht. Omdat ik nu toch wel eens wou weten waar al die Nobelprijs-fuss om ging (’Die mens moet toch wel iets beters gemaakt hebben dan dat boek over die stomme metsiers?’), koos ik voor het gedicht ‘Marsua’, uit ‘De Oostakkerse Gedichten’.
Ik heb op je gevloekt, Hugo. Hele lectuurlijsten had ik nodig om iets te kunnen opmaken uit de roemruchte ‘vijfsterrenpuzzel van de Nederlandse letterkunde’ (dixit De Morgen). Gezwéét heb ik, maar uiteindelijk heb ik er genoeg uit gehaald om de paper te maken. Een gedicht van een dertigtal regels, maar er zat meer in dan ik uit hele turven van romans opgemaakt heb. Het is een gedicht van mythologische, bijna epische proporties. Het is geen vrijblijvende lectuur, maar na wat moeite gedaan te hebben, had ik enkel nog diep respect.
Enkele maanden geleden las ik ‘Het jaar van de kreeft’, een liefdesroman. Het verschil met ‘Marsua’ kon niet groter zijn. Op enkele uren tijd was het erdoor gejaagd, maar uiteindelijk had je me toch weer bij m’n nekvel. Ik herinner me een seksscène aan het begin, die het papier zelf net niet deed hijgen. Ongelofelijk hoe subtiel en mooi u het ‘kegelsplijten in de bekende warmte’ beschreef. Waar ‘Marsua’ vooral intellectuele genoegens bracht, was die scène in ‘Het jaar van de kreeft een aanslag op alle zintuigen. Of dat oergevoel nu Freudiaans of Oëdipaal is, het doet er niet toe. Het was van het mooiste dat ik ooit in het Nederlands heb mogen lezen, en toont perfect de veelzijdigheid van de echte groten.
“Kunst is geen papje, geen snoepje waarvoor je alleen je bek hoeft open te doen. Het is vooral een kwestie van aandacht en geconcentreerde energie.”
Het ga je goed, Hugo. Geboren in de gutter die Brugge is (ik weet er alles van), maar op je beste momenten resoluut mikkend naar de stars. Ik zie het in ons taalgebied en omstreken niemand nadoen.

Naast mij zaten twee twintigers, een jongen en een meisje. Zij las Flair, hij een boek waarvan ik later zag dat het Brett Easton Ellis’ controversiële ‘American Psycho’ was. Zij keek in haar tijdschrift alsof het vol stond met ingewikkelde beschouwingen over het geweld in Darfoer, hij zat te lezen met een grijns op zijn gezicht. Even later moest hij luidop lachen. ‘Is ‘t leuk?’ vroeg zij. Hij knikte instemmend en begon een passage voor te lezen. Het was het fragment waarin het hoofdpersonage, de yuppiemoordenaar Patrick Bateman, een zwerver vermoordt op de meest gruwelijke manier die maar beschreven kan worden. Net toen hij bij het stuk was aangekomen waar Bateman bloeddorstige ratten op de zwerver afstuurt, beviel zij hem te stoppen. ‘Zo grof!’ ‘Allee, da’s toch keigrappig!’ ‘Hoe kan je dat nu grappig vinden, schat?’ ‘Omdat het niet echt is’ ‘Hm.’ ‘Tuurlijk is het grof, maar het gaat eigenlijk over hoe onze samenleving steeds maar perfectie en succes verlangt, en dat niet iedereen zich staande kan houden in zo’n maatschappij. Voor Patrick is het al zo ver gekomen dat hij een dubbelleven leidt waarin hij minder succesvolle mensen afslacht, omdat ze niet in zijn pose passen.’ ‘Mja, dan nog…’

sters), maar de banjo’s en violen blijven. Op plaat is de grap er na verloop van tijd wel af, en live zijn hun shows nu ook niet meteen staaltjes verfijnde cultuur. Maar zoals Barley ‘What’s in a name?’ Scotch zegt: ‘Hoe serieus is Gene Simmons als hij bloed en vuur spuugt op het podium? En hoe serieus is Bon Scott als hij en zijn mannen in de outfit van schooljongens rondhuppelen? I think they kicks balls, that’s what I think.’ Het uitgangspunt van Hayseed Dixie is dat de Lost Highway van Hank Williams en de Highway to Hell van AC/DC eigenlijk dezelfde road to nowhere is. Ze staan voor de kant van de bluegrass die, net als een band als Kiss, staat voor je rot amuseren en de sfeer van het dagelijks leven even vergeten. En is dat niet waar het in entertainment allemaal om draait?