Zwartepieten
Enkele jaren geleden bedacht Radio 1 de ‘Ik heb zoiets van’-prijs, uit te reiken aan de ergerlijkste woorden, uitdrukkingen of tussenwerpsels uit de Vlaamse omgangstaal. Geen idee of er plannen zijn om deze twijfelachtige onderscheiding in de nabije toekomst opnieuw uit te reiken, maar anders weet ik al een mogelijke genomineerde. Of ben ik echt de enige die zich mateloos ergert aan het feit dat iedereen elkaar tegenwoordig ‘de zwartepiet toespeelt’?
De uitdrukking heeft weinig te maken met de knecht van een zekere dakloper uit Spanje, maar vindt zijn oorsprong in het kaartspel. Volgens het spreekwoordenboek van Theissen en Hiligsmann betekent het zoveel als ‘proberen iemand tot zondebok te maken’ of ‘een moeilijke handeling door iemand anders laten doen’. Aangezien de moeizame preformatie in België steeds meer op een bijna Shakespeareaanse twist tussen de respectieve kemphanen begint te lijken, wordt het spel steeds meer op een retorisch niveau gespeeld. En dan wisselt er al eens een z
wartepiet van eigenaar, dat spreekt.
Natuurlijk is dit allerminst een nieuwe zegswijze. Anderhalf decennium geleden maakte wijlen Karel Van Miert al de laconieke opmerking dat hij ondertussen ‘over een hele verzameling zwartepieten beschikt’. Stuk voor stuk hem toegespeeld door de Waalse regering, naar aanleiding van de kritiek van de Europese Commissie op zijn standpunt inzake Europese regio’s.
Van Miert ruilde intussen het tijdelijke voor het eeuwige, maar de zwartepieten zijn nog steeds en vogue. Meer zelfs: mijn voornaamste probleem met de uitdrukking is net dat hij plots zo alomtegenwoordig lijkt te zijn. Sinds dag 1 van de preformatie is er geen dag meer voorbij gegaan zonder dat een krant melding maakte van het doorschuiven, het toespelen of het terugkaatsen van een zwartepiet.
Erger nog: de term lijkt zich nog uit te breiden naar andere gebruikswijzen. De zwartepiet in kwestie wijst intussen niet enkel meer op een knelpunt of een moeilijke kwestie, maar Bart De Wever verklaarde zich onlangs gewoon zelf ‘de zwartepiet’ te voelen. Het is een passe-partout geworden, die vooral doet denken aan een collectief nonchalance aan de kant van journalisten en protagonisten. Woorden schieten hoe langer hoe meer te kort voor het slakkengangetje waaraan de onderhandelingen vorderen. Dus recycleren we dezelfde woorden maar. Dit doorgedreven gebruik lijkt ook typisch Vlaams te zijn. Ondanks het feit dat men ook in Nederland op tijd en stond eens een regeringscrisis te bezweren heeft, wordt daar vooralsnog niet zo vaak gesproken over een aan elkaar geschreven zwartepiet.
Intrinsiek is het een heel mooie zegswijze, maar het gevaar van het cliché wenkt tegenwoordig meer dan ooit. Toch hoeft deze uitdrukking niet automatisch te wijzen op een gebrek aan creativiteit. Een onbekende journalist van Het Belang Van Limburg schreef in 2002 al: ‘Dewael pikt het verwijt niet dat de Vlaamse en de federale regering Sinterklaas spelen en de zwartepiet naar de gemeenten doorschuiven’. Hulde!
Op het moment van schrijven lijkt een doorbraak in de Belgische regeringsvorming verder weg dan ooit. Een analyse van de mogelijke oplossingen valt uiteraard buiten het bereik van deze column. Maar aan de journalisten die de preformatie van op de eerste rij volgen, een suggestie. Hoe kinderachtig en eindeloos de onderhandelingen ook lijken, die kaartspelmetaforen hebben we nu wel gehad. Schrijf liever eens over welke partij nu eigenlijk in pole position ligt. Wie zet wie buitenspel? Voor welke politicus ligt de lat te hoog? De mogelijkheden zijn eindeloos!